Slot (deel3)

Jaap en Anna zaten in dat leuke restaurantje in het dorp. Jaap had Anna verleid tot dit etentje. Hij had haar moeten overreden want in eerste instantie wilde ze niet. Maar het was hem gelukt. Anna keek stuurs en Jaap vroeg zich af hoe hij in vredesnaam de vrouw van vroeger terug moest krijgen, die hem adoreerde.

Anna op haar buurt, was nog steeds boos om al die verloren jaren maar zag ook in dat zij meer op haar strepen had moeten staan. Dus had ze na wat tegenstribbelen ja gezegd.

Wat onwennig na al die jaren zat ze met haar wijn glas te spelen. Jaap keek haar welwillend aan. Het eten kwam. Zij had pasta met steurgarnalen en hij had pasta met vier soorten kaas.

Er viel een stilte waarin beiden niet wisten wat ze moesten zeggen. Ze richtten zich op het eten. Anna schonk haar derde glas wijn in en nam iets te grote slokken. Ze voelde haar benen zwaar worden en haar tong los.

Opeens begon ze te praten en ze hield niet weer op. Ze vertelde hem hoe ze zich in de steek gelaten gevoeld had door hem en hoe boos ze op hem was. Dat hij haar de kans ontnomen had om te gaan werken.

Jaaps gezicht betrok na al die verwijten en keek haar alleen maar aan. “Maar An, wat wil je dat ik doe?” zei hij bedrukt. Het was alsof hij de inhoud van de ijskoeler in zijn gezicht had gekregen. Al die verwijten, hij had geen idee.

“Laten we maar gaan” zei Anna die nog bozer werd door zijn ‘slappe’ houding en ze stond op. De wijn had zijn werk gedaan en voor ze het wist lag ze in Jaaps armen. Hij ving haar op voordat ze viel.

Hij was de jongste niet meer maar hij kon haar nog wel dragen. Met haar armen om zijn nek liet ze het zich welgevallen. Even voelde ze zich net als vroeger. Veilig in zijn armen.

Eenmaal thuis legde Jaap, Anna op de bank waar zij direct in slaap viel. Hij legde een dekentje over haar heen en ging naar bed.

De volgende ochtend werd Anna wakker op de bank. Jaap sliep nog. Ze dacht na over de vorige avond en vond Jaap’s reactie mild. Was hij veranderd in de loop van de jaren, vroeg ze zich af. Hij had niet geschreeuwd, iets wat hij vroeger gedaan zou hebben. Ze was blij dat ze al haar woede geuit had ook al was het door de wijn. Maar ze waren er nog lang niet, besloot ze.

De balans (deel2)

Gelijk toen Anna in de wolwinkel kwam werken voelde zich op haar plek. Ze had leuke collega’s en klanten helpen was haar op het lijf geschreven. Ze was klantvriendelijk en kon goed advies geven over patronen en materiaalkeuze. Ze had het reuze naar haar zin.

Ze werkte vier dagen en dat bracht voor haar een lekker zakcentje in het laatje. Voor het eerst in haar leven was ze financieel onafhankelijk. Het gaf haar een trots gevoel. Niet langer voelde ze zich een sloof. Ze had het gevoel dat ze nu pas echt mee telde.

Jaap wist dat hij haar niet tegen kon houden en liet haar haar gang gaan. Hij betrapte zich erop dat hij weer interesse in haar begon te krijgen. Ze had leuke dingen te vertellen en hij vond haar minder saai. Ook gaf ze hem af en toe weerwoord terug. Iets wat hij zeer aantrekkelijk vond. Ook haar kille houding naar hem maakte het jachtinstinct in hem los. Hij wilde haar weer veroveren. Ach, Jaap was de beroerdste niet.

Maar Anna had niet zulke leuke gevoelens naar Jaap. Ze nam hem kwalijk dat ze zoveel jaar had ‘verspild’ door zijn houding. Dan erbij had zij zich al jaren afgesloten voor hem. Ze was boos, heel boos.

Nou ze haar baantje had voelde zich sterk genoeg om gedachten toe te laten om bij Jaap weg te gaan. Haar liefde voor hem was al jaren dood. Ze was gebleven voor de kinderen maar dat was niet meer nodig. Ze ging zich de komende tijd beraden of ze weg zou gaan of dat ze bleef.

Wordt vervolgd…

Rolverdeling (deel1)

Anna stond aan het aanrecht af te wassen. Venijnig gooide ze het bestek in het afdruiprek. Bozige gedachten bevolkten haar hoofd.

Waarom moest zij altijd de afwas doen. Waarom was zij altijd bezig terwijl Jaap voor de tv op de bank hing. Het was niet eerlijk, ging ze door. Het werd tijd voor verandering.

Anna was een stay at home mom en haar dagen waren gevuld met hun twee kinderen en het huishouden. ‘sAvonds rolde ze doodmoe haar bed in. Jaap had een drukke baan en eens hadden ze afgesproken dat dit hun taakverdeling was. Maar Anna was het zat. Ze voelde zich steeds meer een sloof en ze had het gevoel dat ze afstompte. Ze kon alleen nog maar over de kinderen praten.

Terwijl ze de pannen af waste bedacht ze zich dat ze weer aan het werk wilde. Dan zou Jaap ook in het huishouden mee moeten helpen en zouden ze de taken meer verdelen.

Die avond tijdens het eten bracht ze het ter sprake. “Ik wil weer aan het werk” zei ze een beetje uitdagend. Jaap keek haar aan en ging toen verder met eten. “Zou je dat wel doen schat? Je hebt het al zo druk.”

Anna kookte van binnen. Het was duidelijk dat hij geen stap meer zette. Ze hield zich in en bedacht haar volgende stap. “Lieverd,” zei ze, “zou jij me niet meer kunnen helpen met het huishouden en de kinderen?”

Jaap keek haar glazig aan. “Toe, Anna je weet hoe druk ik het heb op de zaak, ik kan er echt niks bij hebben.” Hevig teleurgesteld hield Anna haar mond.

Anna was niet zo’n assertief typje dus ze bezon zich op stappen die ze kon ondernemen maar wat ze ook bedacht ze kwam elke keer op hetzelfde uit. Hulp in de huishouding wilde Jaap niet, kinderopvang ook niet want eigenlijk had Jaap wel een beetje de broek aan. En daarmee gaf hij de doodsteek aan haar plan.

Ze bracht haar dagen door met de kinderen en het huishouden maar haar vreugde was verdwenen. Alles ging op de automatische piloot. Ook tegen Jaap kon ze niet meer lief doen. Ook de doodsteek voor hun huwelijk.

Jaren gingen voorbij. De kinderen waren groot en woonden op zichzelf en nu had ze alleen het huishouden maar. Op een dag herinnerde zich haar oude droom. Ze wilde dolgraag in een wolwinkel werken. Ze zou de hele dag in de winkel breien en klanten helpen. Ze vond het heerlijk om tussen al die mooie gekleurde bolletjes wol te zijn. En breien was haar hobby.

Toen er in het bokkeblaadje een vacature bij de plaatselijke wolwinkel stond bedacht ze zich geen moment. Ze belde en werd aangenomen.

Jaap reageerde nurks op het bericht dat ze weer ging werken maar dat kon haar weinig schelen.

Wordt vervolgd…

Eau de toilette

Marie-Antoinet zat met een kopje sterke koffie, voor zich uit te staren. Ze kon niet wakker worden. Het was alsof ze door een dichte mist moest om helder te worden. Dit had ze sinds ze ‘ziek’ was geweest. Zelfs de koffie hielp haar niet. Ze had tijd nodig maar ze moest zo naar school.

Ze moest onder de douche, ze was de hele week nog niet geweest. Ze kon het niet opbrengen. De kou en het vele werk, het lukte haar niet. In plaats daarvan haalde ze een washandje over haar gezicht en fatsoeneerde haar lange haar. Eventuele geurtjes werkte ze weg met eau de toilette.

Alles kostte haar moeite. Het fietsen naar de bus, zorgen dat ze de juiste boeken bij zich had en eventueel sportkleding voor de gymles. Tot nog toe was het haar gelukt maar het was op het nippertje.

Het liefst bleef ze ’s morgens in bed liggen maar ze was al zo achter op school doordat ze ziek geweest was. Ze moest naar school, ze moest.

Elke dag die worsteling om in de kleren te komen en naar school te gaan. Hoelang hield ze dit nog vol.

Het was haar weer gelukt, ze zat in de klas. Germaine zat naast haar. “Wat ruik je lekker” zei ze.

https://amp.nos.nl/artikel/2210296-voormalig-psychiatrisch-patienten-komen-na-herstel-niet-mee.html

Het Aardmannetje

Er was eens een kleine man met een baardje. Hij woonde in een dorpje vlak bij een grote stad. Maar het dorpje was omringd door bos en als het maar even kon was de man in het bos te vinden.

Hij zocht daar naar paddestoelen al naar gelang het seizoen. In de lente zocht hij naar eetbare plantjes om een salade mee te maken en zo maakte hij in het voorjaar gekookte zuring. Hij was er dagen mee bezig. Eerst om de ingredienten te zoeken en daarna om ze te bereiden.

Hij was alleen maar hij was heel gelukkig. Hij had de natuur zei hij altijd. In het dorp noemden ze hem het aardmannetje. Omdat hij altijd alleen was, was hij in contact met anderen wel wat zonderling en verstrooid. Zo haalde hij vaak de namen van mensen door elkaar.

Op een mooie zonnige dag ging hij s’morgens vroeg het bos in om bosbessen te plukken. Hij wilde een taart bakken voor het dorpshoofd. Het was geheel tegen zijn gewoonte in maar het leek hem een leuk idee.

Het bos ademde een serene sfeer uit en het aardmannetje genoot met volle teugen. Hij wist precies waar de bosbessen stonden maar hij maakte er zoals altijd een fijne wandeling van. Hij genoot ervan om het leukst voor het laatst te bewaren. Eindelijk waren daar de bosbessen en behoedzaam plukte hij de bessen. Hij zorgde er altijd voor dat hij geen blaadje kneusde.

Hij zei altijd een dankgebedje aan moeder aarde voor wat zij hem gaf. Toen liep hij terug.

Het aardmannetje bakte de taart en zond de postduif naar het dorpshoofd voor een afspraak. Toen de taart klaar was kwam de duif ook terug met een kaartje in zijn snavel. Daarop stond: Kom vanmiddag naar mijn kantoor.

Die middag toog het aardmannetje met de bosbessentaart naar het dorpshoofd. Hij was heel helder en vergistte zich niet een keer in de namen van de mensen die hij tegenkwam.

Het dorpshoofd was een zuurpruim. Zijn mondhoeken hingen altijd naar beneden maar zijn ogen stonden droevig. Hij was op jonge leeftijd zijn vrouw verloren en was sindsdien humeurig. Niemand in het dorp nam het hem kwalijk.

“Wat brengt jou hier?” vroeg het dorpshoofd toen het aardmannetje tegenover hem zat. Het mannetje pakte de tas met de taart en schoof die over het bureau naar hem toe. “Ik heb wat voor u gebakken. De mondhoeken van het dorpshoofd gingen lichtjes omhoog.

“Heb je iets voor mij gebakken? Waarom?” “Zomaar.” zei het aardmannetje. “Dat is nou werkelijk aardig van je.” zei het dorpshoofd.

“Houd u van bosbessentaart?” het aardmannetje keek hem vragend aan. Het dorpshoofd keek hem aan terwijl de tranen uit zijn ogen drupten. “Ik heb geen bosbessentaart meer gegeten sinds Marie is overleden. Zij maakte ze altijd. Ik was er gek op.”

“Kom, eet samen met mij een stuk van deze taart en vertel me dan wat je geheim is, waarom je altijd zo gelukkig bent.”

Het aardmannetje schudde zijn hoofd en zei:”Ik heb geen geheim, ik beeld me alleen altijd in dat alles van mij is: het bos, het dorp, de stad, alles. En dan voel je je de rijkste persoon ter wereld. Waarom zou je dan niet gelukkig zijn? ”

Bron: Kundalini yoga

Trillen

Er was eens een jonge vrouw met trillende handen. Ze was zo geboren en had het al van kinds af aan. Ze vervloekte dit mankement want ze had er altijd last van. Met soep eten morste ze alles weer van haar lepel en met aardappels, vlees en groente maakte ze er een stampotje van zodat het haar minder moeite kostte om te eten.

Ook bij andere mensen moest ze altijd uitleggen dat ze niet zenuwachtig was maar dat haar handen trilden. Ze kon er maar niet aan wennen. Het leek alsof ze ziek was. De dokter had haar uitgelegd dat ze een klein foutje had. Een foutje waar niks aan te doen was. Ze moest zich er bij neerleggen maar dat lukte haar niet.

Ze had nog geen vriendje want ze was verlegen door haar handen. Er stond tegenover dat ze mooi was maar dat vond ze zelf niet. Het liefst bleef ze bij haar moeder thuis in de keuken. Daar bakte ze allerlei lekkernijen in de veiligheid van het huis.

Op een dag dat ze haar pap niet goed kon eten was ze er helemaal klaar mee en maakte ze een afspraak met de dorpsdokter. Toen ze even later tegenover hem zat en haar verhaal deed en vroeg of er niet iets tegen het trillen was. De dokter, een oudere man van tegen de zeventig, knipperde een keer met z’n ogen en keek haar recht aan. “Tja, er is wel wat tegen maar dat is een zwaar middel.”

“Oh, dat geeft niet dokter, ik wil alles proberen.” “Dan probeer het maar een maand.” zei de dokter lachend.

Ze haalde het middel op en ging naar huis. Ze pakte het doosje uit en keek naar de pilletjes, ze zagen er onschuldig uit. Het waren kleine pilletjes, zo groot als een luciferkop. Ze nam er een en wachtte af. Ze keek naar haar trillende handen, die onrustig in haar schoot lagen. Straks was ze er van af. Ze genoot bij voorbaat.

Na een uur begonnen haar handen minder te trillen, totdat ze helemaal stil waren. Ze haalde een bakje vla en at die zonder problemen leeg. Ze juichtte in zichzelf.

De volgende dagen begaf ze zich in het dorp en deed alle plekken aan die ze anders meed. Ze genoot met volle teugen. Ze praatte met de buurvrouw, bij de bakker en flirtte met Kees van Buren.

Op de derde dag, echter merkte ze een zwaar gevoel in haar benen. Een gevoel wat de hele dag niet overging. Ze was te moe om ook maar iets te doen. Ze wist niet wat het was en sleepte zich naar de dokter.

“Tja”, zei de dokter ” Dat is een van de bijwerkingen”. “Ja maar dit wil ik niet, zo kan ik niet functioneren. Is er niet iets tegen?” De dokter krabte zich eens achter de oren en zei:”Ja daar is wel wat tegen maar dat heeft ook weer bijwerkingen.”

Ze dacht aan de dagen dat ze zich zo vrij had gevoeld en hoe ze zich nu voelde. Het was het niet waard. Het middel was erger dan de kwaal.

“Ik stop ermee dokter, dan maar leven met een foutje.

De dagen daarna deed ze precies wat ze tijdens de eerste dagen zonder trillende handen deed. Ze flirtte met Kees van Buren en ze ging naar de bakker en ze verstopte zich niet meer. Het gekke was dat iedereen haar accepteerde hoe ze was. Ze bloeide helemaal op en toen Kees van Buren haar mee uit vroeg zei ze ja.